vrijdag 27 februari 2015

Wat maakt een goede schoolleider?

Reeks onderwijsdebatten in de Balie
De Balie leert: reeks onderwijsdebatten
Ook in januari was er weer een interessant onderwijsdebat in De Balie. Dit keer met het onderwerp 'wat is een goede schoolleider?' Mooi om te zien dat ook een aantal klanten van Dyade in deze aflevering van ' De Balie leert' aanwezig was. Voor geïnteresseerde schoolleiders is het programma nog terug te zien op de website van De Balie.

Een goede schoolleider leidt tot goed onderwijs
Internationaal onderzoek toont aan dat de leiding van de school van grote invloed is op de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Goed leiderschap, goede schoolbestuurders en schoolleiders zijn van doorslaggevend belang voor het verbeteren van de kwaliteit van docenten en daarmee van de prestaties van onderwijsorganisaties. De schoolleiding vormt een belangrijke factor in het realiseren van onderwijsteams die optimaal presteren. De leiding selecteert en ondersteunt onderwijsprofessionals en onderwijsteams en creëert de randvoorwaarden voor het onderwijsproces. Dat is een belangrijke drijfveer voor Dyade. Als Dyade de schoolbestuurder en de schoolleider optimaal ondersteunt, draagt ze indirect bij aan de kwaliteit van onderwijs.

Wat is een goede schoolleider?
Uiteraard is dan wel de vraag: wat is goed leiderschap binnen een schoolorganisatie? In een uitverkochte Balie gingen docenten, schoolleiders en anderen daar met elkaar over in debat. Zoals dat hoort in een goed debat liepen de meningen flink uiteen, maar er was een rode draad te vinden in de mening over de goede schoolleider:

Onderwijskundige visie
Allereerst moet de schoolleider een visie op onderwijs hebben en de koers uitzetten voor het team. De schoolleider moet dus een heldere visie op leren hebben, op de ontwikkeling van kinderen en op werkvormen waarin leerlingen kunnen samenwerken. De goede schoolleider creëert waarin docenten samenwerken en samen leren en faciliteert het gesprek over goed onderwijs. Sommige deelnemers aan het debat stelden dat dit niet mogelijk is als je niet zelf voor de klas hebt gestaan. Alleen een expert in het vakgebied kan leiding geven aan onderwijsprofessionals.

Hitteschild
De schoolleider moet ook fungeren als hitteschild. Hij of zij moet voor het team staan en het team zo veel mogelijk afschermen van niet-productieve inmenging van buiten,  zonder dat de angst gaat regeren, zonder dat de schoolleider de regeltjes doordrukt naar het docententeam. Hij of zij gaat slim om met de druk van buiten en beperkt deze tot hetgeen strikt noodzakelijk is, opdat de docenten in het team er zo weinig mogelijk last van hebben.

Leiderschap
De goede schoolleider overziet het hele plaatje en bepaalt daarop de koers van het team, staat open  voor initiatieven van leraren en inspireert het team, zorgt dat iedereen zijn persoonlijk leiderschap ontwikkelt zodat de schoolleider steeds meer overbodig wordt. Een goede schoolleider zorgt voor persoonlijke ontwikkeling en als deze niet effectief is, is hij of zij moedig genoeg om daar consequenties aan te verbinden. Een goede schoolleider heeft een neus  voor kwaliteit en verzamelt deze om zich heen, en is ook voldoende stevig om tegenspraak te organiseren. Een goede schoolleider communiceert met de mensen binnen en buiten de school en geeft vertrouwen aan het team: fouten maken mag, zolang je er maar van leert.

Wat heeft een goede schoolleider nodig?
Een schoolleider kan dit alleen als er voldoende vertrouwen en ruimte is om verantwoordelijkheid te nemen. Er moet voldoende regelruimte zijn. Het werken vanuit een verzameling gezamenlijke waarden helpt de schoolleider om duidelijk te maken waar de school en het team voor staan.

Zoals een van de sprekers kernachtig samenvatte: een goede schoolleider heeft visie, moed, focus en doorzettingsvermogen.

Holistisch systeem
Het debat heeft voor mij duidelijk gemaakt dat een goede schoolleider volgens het onderwijsveld aan veel eisen moet voldoen. Het maakt voor mij duidelijk dat de permanente educatie van schoolleiders onontbeerlijk is en dat ook schoolleiders samen kunnen leren en samen het gesprek kunnen aangaan over goed onderwijs en persoonlijk leiderschap. Wat voor leerlingen geldt, geldt ook voor Schoolleiders en docenten.


vrijdag 20 februari 2015

Kritische vriend van de bestuurder

Onderwijsbestuurders bekleden een functie waarin buitengewoon veel van hen wordt gevraagd, vooral in kleine en middelgrote instellingen. Je moet als bestuurder van heel veel onderwerpen verstand hebben, omdat er geen specialisten aanwezig zijn. Een bestuurder van een dergelijke instelling kan het inspectiebezoek niet overlaten aan een collega, of het maken van een bestuursformatieplan delegeren aan een HRM-directeur zoals in de grotere onderwijsinstellingen. Een meerjarenbegroting komt ook vaak neer op de schouders van de bestuurders.Eigenlijk is een bestuurder van een dergelijke instelling vaak gewoon ondernemer.

In de jaren dat ik ondernemer en eigenaar was van een klein opleidingsinstituut, moest ik ook veel zelf doen. Dat is natuurlijk heel afwisselend en dynamisch, er is geen dag hetzelfde. Dat is een groot voordeel ten opzichte van een specialistenfunctie waar werkzaamheden zich vaak herhalen. Toch brengt een dergelijke positie ook onzekerheid met zich mee: ‘It’s lonely at the top’. Je vraagt je soms af of je overal aan hebt gedacht: ‘Heb ik nu echt alle veranderingen in beeld? Mis ik geen belangrijke risico’s? Wat zit er in mijn dode hoek?’.

In mijn ondernemerstijd voerde ik iedere maand een gesprek met Kasper, iemand uit de vriendenkring van de familie en werkzaam als zelfstandig accountant. Kasper kwam één keer per maand langs, meestal aan het einde van de dag. Hij controleerde de cijfers, overlegde met mijn secretaresse die de boekhouding deed en daarna bespraken we in een uur de relevante ontwikkelingen in mijn onderneming: de laatste winstcijfers, de ontwikkelingen op fiscaal gebied, de productiecijfers, etc. Ik vertelde Kasper ook over mijn plannen en hij stelde mij daar ‘lastige’ vragen over. Hij hield me scherp zodat mijn bedrijfsvoering op rolletjes liep. Ik noemde Kasper mijn ‘kritische vriend’.

Ik gun iedere bestuurder in het onderwijs een dergelijke kritische vriend. Iemand die regelmatig langskomt om de actuele situatie van de instelling door te spreken, om samen vast te stellen wat er goed gaat en wat er niet goed gaat. Iemand die ontwikkelingen signaleert binnen én buiten de organisatie. Geen meedenker, maar een tegendenker die kritische vragen stelt en blijft doorvragen als er geen afdoende antwoord komt. Iemand die je scherp houdt en de blinde vlekken benoemt. Een vriend die bovendien in oplossingen denkt en de oplossingen mede mogelijk maakt. Omdat die vriend een uitgebreid netwerk heeft. Een netwerk van organisaties en deskundigen die hebben bewezen goede kwaliteit te leveren. Kijk dat zijn vrienden voor het leven.


woensdag 24 december 2014

Leiderschap en de goede leraar.

Samen met een wisselende groep collega’s volg ik de serie debatten over het onderwijs in de Balie in Amsterdam. Ik laat me op deze avonden graag inspireren door de enorme passie, energie en betrokkenheid van sprekers en bezoekers. De vonken vliegen er soms van af en het debat is dan ook zeer vermakelijk. Felix Rottenberg, die het debat leidt, heeft de goede gewoonte om aan het begin van het debat te inventariseren wie zich in het publiek bevindt. Het publiek is een mooie mix van onderwijzers en leraren, schoolleiders en –bestuurders, adviseurs en wetenschappers, journalisten en ouders, studenten en leerlingen. We doen in dit soort bijeenkomsten inspiratie op voor de dienstverlening en de ontwikkeling van Dyade. Zo ontdekken we wat er leeft in het veld van het onderwijs.

Wie ben ik Zelf en wat is mijn Werk?
Tijdens het laatste debat zijn me twee aspecten opgevallen, vooral omdat deze twee aspecten ook veel voorkomen in literatuur en artikelen over goed leiderschap. In de moderne visie op leiderschap staan de vragen ‘wie ben ik Zelf?’ en ‘wat is mijn Werk?’ (let op de hoofdletters) centraal. Samengevat zou je dit kunnen vertalen naar “Als je niet weet wie je bent en niet doet wat je voelt dat je moet doen, kun je anderen niet met je meenemen of inspireren”. Voor leiders en docenten is het belangrijk om anderen mee te nemen en te inspireren, dat behoeft geen betoog.

Leraar van het jaar
Dit kwam ook aan de orde in het debat over de goede leraar. Jasper Rijpma, uitgeroepen tot leraar van het jaar vertelde wat een goede leraar voor hem inhoudt. Ik heb persoonlijk kunnen ervaren waarom Jasper een goede leraar is. Hij was de afgelopen twee jaar de leraar Grote Denkers en mentor van mijn zoon Joris aan het Hyperion. Zijn antwoorden verbaasden me dan ook niet.

De connectie met goed leiderschap was verbluffend. Jasper gaf als tip mee dat een (aankomend) docent eerst antwoord moet zien te vinden op de volgende vragen:
- Zoek uit waarom je leraar wilt worden, wat je drijft en wat je wilt/kuntbetekenen (wie ben je Zelf?)
- Ontwikkel een visie op onderwijs, stel doelen en ontwikkel idealen (wat is mijn Werk?)

Hij pleitte er voor om het eerste semester van de lerarenopleiding rond deze twee vragen in te richten. Ten eerste omdat de antwoorden leidend zullen zijn voor het vervolg in de opleiding. Als je weet waarom je iets doet, brengt een dergelijke opleiding energie in plaats van dat de opleiding energie kost. Maar daarnaast ook om studenten snel tot de beantwoording van eenessentiële vraag te brengen: is de lerarenopleiding wel iets voor mij? Wat kan ik bijdragen? Belangrijk om tot een goede studiekeuze te komen.

Wat verwachten we van leraren?
Het beantwoorden van deze twee vragen maakt ook duidelijk wat we als maatschappij van leraren verwachten: gedreven leraren die iets voor hun leerlingen willen betekenen en gedreven worden door hun idealen. Zijn dat dan ook niet de inspirerende leraren die wij ons nog kunnen herinneren uit onze eigen schooltijd? Het zijn in ieder geval wel de mensen waar we binnen Dyade graag voor werken. Omdat we geloven dat deze inspirerende leraren het verschil maken in Nederland. Omdat ze het verschil kunnen maken in het leven van kinderen en jongvolwassenen. Deze mensen ondersteunen wij graag ook weer in 2015 in hun mooie werk. 

Dat is òns Werk, met de hoofdletter W.

Ik wens iedereen een betekenisvol en bovendien gezond 2015 toe!

Frank

donderdag 14 augustus 2014

het meten van kwaliteit in het onderwijs

Laatst las ik het boek “het alternatief, weg met de afrekencultuur in het onderwijs” van Kneyber en Evers. Daarin wordt zoals de titel al meldt met name de zin en onzin van testen aan de kaak gesteld. Zo wordt gesteld dat het beoordelen van de kwaliteit van onderwijs en docenten aan de hand van testresultaten leidt tot ongewenste effecten. Ik ben daar direct van overtuigd, het boek gaf veel argumenten die mijn gevoel verder bevestigen. Ik kende echter geen alternatief systeem. Er moest een alternatief gevonden worden, daar was ik van overtuigd. Deze overtuiging komt enerzijds voort uit mijn opleiding en anderzijds uit negatieve ervaringen als student aan de HES.

Ik ben opgeleid  in informatica en bedrijfseconomie. Ik genoot mijn opleiding in een tijdvak waarin ‘what you measure, is what you get’  een positieve connotatie had, en niet, zoals in dit tijdvak, een negatieve. Dit tijdvak kenmerkte zich dan ook door dashboards, balance scorecards, bestuurderscockpits en meer van deze fantastische managementinformatiesystemen. Alles werd gemeten en gemonitord. Aan de hand van de scores werden de prestaties beoordeeld. Rationeel, rechtlijnig en definieerbaar.
Mijn eerste neiging was daarom dat als de testen die we tot nu toe gebruiken voor de beoordeling van docenten niet deugden, dan moesten er andere testen te vinden zijn die wel het juiste meten.

Het beoordelen van docenten was bittere noodzaak. Immers, mijn persoonlijke ervaring met docenten maakt dat een beoordeling van met name slechte docenten erg belangrijk is. Er moet een einde gemaakt worden aan docenten die er maar een potje van maken in de klas. Dat gaat ten koste van de ontwikkeling van kinderen en jongvolwassenen. Een objectieve beoordeling was in mijn ogen dus een onmisbaar instrument voor kwalitatief goed onderwijs. In ‘Het Alternatief’ vond ik ook daadwerkelijk een alternatief voor de beoordelings- en meetsystemen.

Eerst even een stapje terug naar mijn negatieve ervaring uit mijn  studietijd aan de HES waar ik bedrijfsinformatica studeerde.  

Een hoofdvak in deze studie is bedrijfseconomie. We kregen in het tweede leerjaar les van een docent die ik nooit meer vergeten ben. Ik herinner me hem echter niet omdat hij zo inspirerend was. In tegendeel, deze docent had het helemaal opgegeven. Hij gaf dan ook helemaal geen college meer. Hij verwelkomde ons en draaide zich vervolgens om naar het bord. Vervolgens begon hij daar het collegedictaat op het bord te schrijven, zonder uitleg en zonder gelegenheid tot het stellen van vragen. Als het bord vol was, was het college ten einde. Alle ‘colleges’ verliepen op deze wijze. Ik kan me niet meer herinneren of er veel studenten aanwezig waren, maar ik hield het al snel voor gezien. Ik kopieerde het dictaat van anderen en leerde dit uit mijn hoofd. Omdat het dictaat en de tentamens goed op elkaar aansloten (oh wonder!), haalde deze docent uitstekende resultaten, zelfs zonder dat de studenten aanwezig waren!

Ik kan me niet voorstellen dat dit niet algemeen bekend was bij collega’s en de schoolleiding. Toch werd dit oogluikend toegestaan. Er was in de jaren dat ik studeerde aan de HES geen waarneembare verbetering. En dit was niet het enige trieste geval. Er zijn meer verhalen bekend: van docenten die er vreemde lesmethoden ophielden, docenten die dronken voor de klas stonden, etc.

Het meten van de ontwikkeling van de studenten had in het bovengenoemde voorbeeld geen oplossing  geboden, immers door de goede tentamenresultaten had de docent het gelijk aan zijn zijde. Echter, wat was er gebeurd als het alternatief uit het boek van Kneyber en Evers was toegepast? Een alternatief waarin de docenten als echte professionals te werk zouden gaan? Als de docenten eigenaar waren geweest van de kwaliteitsbewaking van het onderwijsproces en bijvoorbeeld collegiale toetsing en intervisie hadden toegepast? Als er regelmatig een collega-docent tijdens college aanwezig was geweest? Als deze collega vervolgens middels intervisie met andere docenten in gesprek was geraakt of beter nog door studenten was beoordeeld? Wat als er een ombudsman of –vrouw beschikbaar was voor klachten van studenten en docenten? Wat als de schoolleiding regelmatig in de klaslokalen aanwezig zou zijn geweest?

Dan was deze wantoestand onmiddellijk publiekelijk bekend geworden en zou de schoolleiding gedwongen zijn tot ingrijpen. Docenten en studenten zouden een vernietigend oordeel hebben gegeven dat niet zonder gevolgen zou kunnen blijven. Zelfs als de schoolleiding niet zelf had ingegrepen.

Dit bewijst volgens mij dat een meetsysteem niet altijd leidt tot het gewenste effect. “Teaching to the test” maakt dat het onderliggende probleem niet zichtbaar wordt: Alleen de stof die van belang is voor het examen wordt onderwezen. Als de betreffende docent dan ook nog het tentamen opstelt, zullen de tentamenresultaten uitstekend zijn. Studenten krijgen daarmee slechts een beperkte blik op het vak dat onderwezen wordt en leren een trucje waarmee ze het tentamen kunnen halen. Zodra er meer vindingrijkheid of eigen initiatief vereist is, zullen zij afhaken omdat ze zich de stof niet écht eigen hebben gemaakt. In de (beroeps)praktijk zal dit ogenblikkelijk duidelijk worden. Immers daar wordt juist een beroep gedaan op het talent van studenten om de aangeboden theorie in de praktijk toe te passen en af te stemmen op specifieke situaties.


Het beleggen van eigenaarschap in teams van professionals vergroot de kans tot het bereiken van het doel volgens mij wel evenals studenten die een stem hebben in het vaststellen van de onderwijskwaliteit en een mogelijkheid krijgen om suggesties ter verbetering te doen of kwaliteitsproblemen aan de kaak kunnen stellen. Daar kan geen meetsysteem tegenop.

vrijdag 1 november 2013

Goed onderwijs in Amsterdam..

De wethouder Onderwijs in Amsterdam presenteerde vandaag het Praktijkboek Basisonderwijs Amsterdam. Aanstaande maandag woont dezelfde wethouder het debat in De Balie bij: Is het Nederlandse onderwijs klaar voor de toekomst?

Ik verwacht (hoop op) vuurwerk in het debat. 

Om dit te illustreren een klein citaat uit het praktijkboek:

'Juf Julia bekijkt de doelen van de les nog eens en gaat na welke kinderen ze mee wil laten doen in de verlengde instructie. Vorige week heeft ze, aan de hand van de lesdoelen die deze week aan de orde zijn, haar logboek nagelopen. Ze gaat na welke kinderen toen moeite hadden met bepaalde onderwerpen en deze week extra ondersteuning van haar nodig hebben. In het groepsplan kijkt ze nog even na wat ook alweer de specifieke onderwijsbehoeften van deze leerlingen zijn. Hoe kan ze de instructie voor deze leerlingen het beste vormgeven? Welke materialen kunnen ondersteuning bieden? Welke handreikingen biedt de methode?  [...] Vervolgens laat ze haar gedachten gaan over de activerende aspecten van de komende les. Uit de feedback die ze regelmatig krijgt, weet juf Julia dat dit niet haar sterkste kant is. Soms is haar behoefte om iets duidelijk aan haar leerlingen uit te leggen zo groot, dat ze voornamelijk zelf aan het woord is. In de afgelopen jaren heeft juf Julia veel geoefend
met kinderen hardop te laten denken en strategieën te laten verwoorden.'  

Juf Julia is een fictieve leerkracht uit groep 5. Ik ben vader van een dochter van 8 uit groep 5 en als ouder zou ik me grote zorgen gaan maken met een leerkracht die in een dergelijk systeem geperst is en er ook nog eens aan toegeeft. Een juf die een logboek moet nalopen om te bepalen welke leerlingen extra ondersteuning nodig hebben? Een groepsplan nodig heeft om de onderwijsbehoeften van een leerling te bepalen en om uit te vinden welke materialen ze kan gebruiken voor ondersteuning?

Ik ben erg benieuwd naar de reactie van de professionals uit het onderwijs. De reactie van mijn 'juf' (....) was in ieder geval overduidelijk.....

Ik kijk uit naar maandag....

zaterdag 12 oktober 2013

Leraren zijn van doorslaggevende betekenis in het leven van kinderen

Deze week heb ik acht (!) scholen van OVO Zaanstad bezocht. In één dag werd me weer duidelijk wat ik al langer wist: Er wordt iedere dag zó hard gewerkt aan de ontwikkeling van kinderen en jong volwassenen! Alle critici van het onderwijs zouden eens een dagje moeten meelopen, dan wordt al snel duidelijk dat dit geen gewone baan is. Als je niet heel erg gemotiveerd bent, dan heb je in het primair en voortgezet onderwijs helemaal niets te zoeken. Dit is geen baan waar je de kantjes er vanaf kunt lopen.

Moest gelijk ook weer denken aan die ene docent die zo'n belangrijke invloed heeft gehad op mijn toekomst. Die ene docent die me precies wist te raken als 17-jarige drop-out of voortijdig schoolverlater avant la lettre. Ik was als puber immers al lang op weg naar een betaalde baan, had nog geen diploma maar was het onderwijs helemaal zat. Gelukkig wist die ene docent me te interesseren voor iets dat goed bij me paste.

We schrijven het jaar 1983. De automatisering bestond toen grotendeels nog uit mainframes, grote computers die alleen door bedrijven betaald konden worden. PC's waren er eigenlijk nog maar een paar jaar. IBM had zijn eerste Personal Computers nog maar net geïntroduceerd. Op de MEAO, waar ik na mijn rampjaren op het Atheneum was beland, werden de eerste PC's geïnstalleerd. Nog zonder harde schijf, met grote floppy disks met wel 180Kb opslag capaciteit (Single Sided, Single Density). NB: een USB stick van 1GB staat voor bijna 6.000 van deze floppy disks.

Mijn docent leerde me programmeren en gaf me de opdracht om de examenadministratie te automatiseren. Dat had hij goed gezien, ik kreeg ineens weer plezier in school. Gewoon omdat ik uitgedaagd werd. Mijn eindlijst van de MEAO was dan ook boven mijn eigen verwachting. Hoge cijfers met zelfs een 9 en een 10 voor resp. automatisering en boekhouden. Mijn mentor gaf me advies: niet stoppen, ga door, ga naar de HEAO want dat kan je gemakkelijk. En dan niet in Alkmaar, maar ga studeren in Amsterdam. Studeren en studentenleven dat is prachtig!

Uiteindelijk was dat een advies dat mijn leven belangrijk heeft beïnvloed. Ik ben niet meer uit Amsterdam weggegaan, was al na drie weken lid van het bestuur van een grote studentenvereniging (waar ik mijn vrouw heb ontmoet) en heb mijn doctoraal aan de VU afgerond. Soms denk ik wel eens dat mijn leven pas in Amsterdam is begonnen. Deze leraar was dus van doorslaggevende betekenis in mijn leven. En niet alleen in mijn leven...

Steeds vaker hoor ik van 'lastige' mensen dat ze een inspirerende docent hebben getroffen in het leven. Een docent of leraar die hun leven heeft veranderd.

Laten we zuinig zijn op onze leraren en onderwijzers. Ze zijn zo belangrijk! Ze kunnen levens veranderen.

donderdag 7 februari 2013

Bye Bye werkkamer: herontdek je bedrijf!

Gemeenteloket bij u thuis
Ik las vandaag een artikel in de Volkskrant over de gemeente Molenwaard. Deze gemeente heeft een zwervende burgemeester zònder eigen luxe werkkamer maar mèt iPad. De gemeente besloot bovendien geen nieuw gemeentehuis te bouwen. Geen burgerloketten, raadzalen, etc. De gemeente komt in plaats daarvan naar de burgers toe. Uw nieuwe rijbewijs wordt thuisbezorgd. De aangifte van een geboorte doe je bij de ambtenaar van de burgelijke stand die bij je op bezoek komt. Het lijkt me als gemeente-ambtenaar geweldig. Niet langer in een saai gemeentehuis met iedere dag dezelfde gezichten om je heen maar lekker het dorp in, op bezoek bij de bewoners. Naar buiten! afwisseling! Weg met efficiëntie en time management. Overigens vinden de raadsvergaderingen plaats op lokatie: in het buurthuis, de bibliotheek, etc. Wel zo handig als je over deze faciliteiten moet vergaderen.

Bevrijdende ervaring
In mijn persoonlijke werkomgeving heb ik een dergelijke, weliswaar minder vergaande, maar toch bevrijdende ervaring opgedaan. Tot een aantal maanden geleden werkte ik in een gebouw waarvan het grootste gedeelte van de kantoren leegstond. Op de etage waar waar ik werkte, waren maar enkele ruimtes in gebruik. Op sommige dagen was ik de hele dag alleen op deze etage. Het enige menselijke contact op zo'n dag verliep via mail en telefoon. Ik kreeg vaak het gevoel dood en begraven te zijn. Vaak had ik aan het einde van de dag een leeg en verloren gevoel. Daaraan kwam een einde door een toevallige samenloop van omstandigheden.

Allemaal naar de begane grond!
We besloten om de vrijwel leegstaande etalages te ontruimen. De werkplekken werden overgebracht naar de begane grond, de enige etage die nog wel redelijk bezet was. We wilden kosten besparen maar ook 
 het contact tussen de mensen verbeteren. We zouden elkaar vaker treffen bij de koffie-automaat en sneller even bij elkaar langslopen om te overleggen.

Bye Bye werkkamer
Het was gezien de beperkte ruimte niet mogelijk om iedereen een eigen kantoor en vaste werkplek te geven. Er moesten dus ook flexplekken gecreëerd worden. Op zich geen probleem omdat een flink aantal mensen niet altijd op dezelfde locatie werken. Ik werk overigens ook niet iedere dag op deze lokatie en besloot daarom, als initiatiefnemer, maar eens het goede voorbeeld te geven. Ik gaf mijn werkkamer op en maakte vanaf dat moment gebruik van een flexplek. Ik zag er wel een beetje tegen op. Ik lees en schrijf immers veel stukken en deed dat tot voor kort in alle stilte. Ik zou nu te maken krijgen met geluidsoverlast: gesprekken van collega's, radio's en telefoons.

Het is mij vanaf het eerste moment ontzettend goed bevallen. Heb ontdekt hoe ontzettend leuk het is om tussen je collega's te werken. Veel leuker dan altijd maar in je eentje op je eigen kamer. Natuurlijk, ik zoek af en toe de rust. Om te telefoneren of na te denken. Ook zijn sommige dagen zijn gevuld met vergaderingen en gesprekken. Daarvoor hebben we een aantal vergaderruimtes die we kunnen reserveren met behulp van outlook.

Ik heb nu veel meer contact met collega's. Weet sneller wat er gebeurt in het bedrijf, weet beter wat er speelt binnen afdelingen en leer mensen beter kennen. De afwisseling doet me goed. De ene dag werk ik een ochtend thuis, de volgende dag op mijn flexplek in Nieuwegein of Ede. Heb meer plezier in het werk, er wordt veel gelachen op de afdelingen. Krijg bovendien meer begrip voor de problemen waar mensen mee geconfronteerd worden. Daar kan ik dan beter op inspelen.

Ik heb geen papierenstapels meer, geen dossierkast en probeer te werken zonder vergaderstukken. Die zou ik immers allemaal mee naar huis moeten sjouwen.

Paperless?
Ik ben op dit moment druk bezig om mijn persoonlijke organisatie aan te passen aan een flexplek bestaan. Dat valt nog niet mee. Ik ben immers geen Alexander Klöpping. In de volgende blogpost meer over vallen en opstaan met apps op smartphone, MacBook en de iPad.